vermeerderen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·meer·de·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vermeerderen
vermeerderde
vermeerderd
zwak -d volledig

Werkwoord

vermeerderen

  1. overgankelijk in getal doen toenemen of laten toenemen
  2. wederkerend in getal toenemen
    • Deze planten kunnen zich vegetatief vermeerderen. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.