vermeerderen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·meer·de·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vermeerderen
vermeerderde
vermeerderd
zwak -d volledig

Werkwoord

vermeerderen

  1. (overgankelijk) in getal doen toenemen of laten toenemen
  2. (wederkerend) in getal toenemen
    Deze planten kunnen zich vegetatief vermeerderen.
Vertalingen