uitgroeien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·groei·en
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitgroeien
groeide uit
uitgegroeid
zwak -d volledig

Werkwoord

uitgroeien

  1. ergatief geleidelijk groter worden, zich ontwikkelen tot iets
    • Het eenmanswinkeltje is nu uitgegroeid tot een winkelketen. 
  2. ergatief ophouden met in de groei zijn
    • Die operatie heeft pas zin als je uitgegroeid bent. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.