verruimen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·rui·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verruimen
verruimde
verruimd
zwak -d volledig

Werkwoord

verruimen

  1. overgankelijk ruimer maken
    • Hij gebruikte een boor om het gat wat te verruimen. 
  2. wederkerend zich ~ ruimer worden
    • Terwijl mijn innerlijke ruimte zich verruimde, nam ook de gevoelskwaliteit toe. 
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • zijn blik verruimen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.