uitbreiden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·brei·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitbreiden
breidde uit
uitgebreid
zwak -d volledig

Werkwoord

uitbreiden

  1. overgankelijk iets een groter oppervlak laten innemen
    • Verder kunnen kinderen hun woordenschat uitbreiden door liedjes, rijmpjes en versjes. 
     In de Grieks-en in de Rooms-Katholieke kerk werd hij vereerd. Reeds in de negende eeuw breidde zijn roem zich uit van Klein-Azië naar Italië en omstreeks het jaar duizend zelfs over de Alpen.[3]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Vertalingen

Verwijzingen