uitbreiden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·brei·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitbreiden


breidde uit


uitgebreid


zwak -d volledig

Werkwoord

uitbreiden

  1. (overgankelijk) iets een groter oppervlak laten innemen
    Verder kunnen kinderen hun woordenschat uitbreiden door liedjes, rijmpjes en versjes.
Verwijzingen
  1. Woordenboek der Nederlandse taal
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
Vertalingen