taart

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een opengesneden taart

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • taart
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gebak’ voor het eerst aangetroffen in 1302 [1]
  • Afgeleid van het Oudfranse torte of tarte, dat op zijn beurt afkomstig lijkt te zijn van het Latijnse torta (gedraaid baksel). Dit is de vrouwelijke vorm van het voltooid deelwoord van torquere (draaien). Mogelijk is er ook een verband met het Latijnse tortula (klein wit broodje). De huidige woordvorm met -a- is mogelijk ook beïnvloed door het Franse tartre ("wijnsteen").[2]
enkelvoud meervoud
naamwoord taart taarten
verkleinwoord taartje taartjes

Zelfstandig naamwoord

taart v/m

  1. (voeding) cirkelvormig gebak, vooral voor feestelijke gelegenheden, gemaakt van deeg en afgewerkt met bijvoorbeeld slagroom, vruchten of marsepein
    • Een taart wordt vaak een stuk feestelijker als je hem met een bovenlaag afwerkt.[3] 
  2. (scheldwoord) (veelal oudere) onaangename of truttige vrouw
    • Wat een taart is dat mens! 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen