afstoppen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·stop·pen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

afstoppen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afstoppen
stopte af
afgestopt
zwak -t volledig
  1. iets in zijn vaart en gang hinderen
    • Het enthousiasme van mijn bejaarde moeder over de geboorte van onze tweede dochter kende geen grenzen. Nog voor de eerste weeën belde ze om de kraamvisite aan te plannen. „Morgen?” Toen het dan eindelijk zover was, we lagen als gezin nog bij te komen in de bevallingskamer van het ziekenhuis, liet ze zich door niets en niemand afstoppen en zeker niet door ons. [2] 
  2. het helemaal opvullen en dichtmaken van gaatjes en kieren
    • Ik heb alle gaatjes met alabastine afgestopt 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Marcel van Roosmalen 31 maart 2017