charge

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • char·ge
enkelvoud meervoud
naamwoord charge charges
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

charge v / m

  1. gesloten aanval van de politie of van de cavalerie (cavaleriecharge)
  2. vervoersovereenkomst tussen bevrachter en schipper
  3. lading of batch in een produktieproces (zie chargenummer)


Engels

Uitspraak
Woordafbreking
  • charge
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Middelengels.
vervoeging
onbepaalde wijs to charge
he/she/it charges
verleden tijd charged
voltooid
deelwoord
charged
onvoltooid
deelwoord
charging
gebiedende wijs charge

Werkwoord

charge

  1. (overgankelijk), (juridisch) aanklagen
    «A man was charged and two others are sought in connection with a shooting.»
    Een man werd aangeklaagd en twee anderen worden gezocht in verband met een schietpartij.


enkelvoud meervoud
charge charges

Zelfstandig naamwoord

charge

  1. (juridisch) aanklacht, beschuldiging, telastlegging, tenlastelegging


Frans

Werkwoord

vervoeging van
charger

charge

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van charger
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van charger
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van charger


Limburgs

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

charge m

  1. aanbetaling
Schrijfwijzen