charge

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • char·ge
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘cavalerieaanval’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1593 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord charge charges
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

charge v / m

  1. gesloten aanval van de politie of van de cavalerie (cavaleriecharge)
  2. vervoersovereenkomst tussen bevrachter en schipper
  3. lading of batch in een produktieproces (zie chargenummer)

Werkwoord

vervoeging van
chargen

charge

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van chargen
    • Ik charge. 
  2. gebiedende wijs van chargen
    • Charge! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van chargen
    • Charge je? 

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Uitspraak
Woordafbreking
  • charge
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig uit het Middelengels.
vervoeging
onbepaalde wijs to  charge 
he/she/it  charges 
verleden tijd  charged 
voltooid
deelwoord
 charged 
onvoltooid
deelwoord
 charging 
gebiedende wijs  charge 

Werkwoord

charge

  1. overgankelijk, (juridisch) aanklagen
    «A man was charged and two others are sought in connection with a shooting.»
    Een man werd aangeklaagd en twee anderen worden gezocht in verband met een schietpartij.
enkelvoud meervoud
charge charges

Zelfstandig naamwoord

charge

  1. (juridisch) aanklacht, beschuldiging, telastlegging, tenlastelegging


Frans

Werkwoord

vervoeging van
charger

charge

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van charger
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van charger
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van charger


Limburgs

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

charge m

  1. aanbetaling
Schrijfwijzen