instoppen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·stop·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
instoppen
stopte in
ingestopt
zwak -t volledig

Werkwoord

instoppen

  1. indoen
  2. iemand in bed onder de dekens leggen en/of de lakens aan de zijkant onder de matras strak zetten
    • We gingen de kinderen instoppen voor het slapen gaan. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.