scheren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sche·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
scheren
/'sxɪːrə(n)/
schoor
/sxɔːr/
geschoren
/ɣə'sxɔrə(n)/
klasse 2 volledig
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
scheren
/'sxɪːrə(n)/
scheerde
/sxɪːrdə/
gescheerd
/ɣə'sxɪːrt/
zwak -d volledig

Werkwoord

scheren

  1. (overgankelijk) met een schaar of mes de huid van haar ontdoen
    Hij schoor de schapen en verzamelde de wol.
  2. (wederkerend) zich ~: zich de baard kort afsnijden
  3. (inergatief) rakelings over een oppervlak bewegen
    De zwaluwen scheerden over het water van het meertje.
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: alles over één kam scheren
alles en iedereen gelijk stellen
  • [1]: de schapen scheren
gemakkelijk grote winsten maken
  • [1]: zijn schaapjes scheren
er de winst uithalen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

scheren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord scheer

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl
  3. etymologiebank.nl
  4. etymologiebank.nl