schoor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schoor
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘steunbalk’ voor het eerst aangetroffen in 1343 [1] [2] [3] [4]
enkelvoud meervoud
naamwoord schoor schoren
verkleinwoord schoortje schoortjes

Zelfstandig naamwoord

schoor m

  1. een steunbalk die onder of tegen iets geplaatst is [5]
    • Als laatste werd de schoor verwijderd. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
scheren

schoor

  1. enkelvoud verleden tijd van scheren
    • Ik schoor. 
    • Jij schoor. 
    • Hij, zij, het schoor. 
vervoeging van
schoren

schoor

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schoren
    • Ik schoor. 
  2. gebiedende wijs van schoren
    • Schoor! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schoren
    • Schoor je? 
Verwante begrippen

Verwijzingen