rangschikken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rang·schik·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rangschikken
rangschikte
gerangschikt
zwak -t volledig

Werkwoord

rangschikken

  1. (overgankelijk) een bepaalde volgorde in iets aanbrengen
    De postzegelverzamelaar rangschikte zijn nieuwe aanwinsten naar jaar van uitgifte.
Vertalingen