Naar inhoud springen

snoeien

Uit WikiWoordenboek
Buxus snoeien met de heggenschaar.
  • snoei·en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
snoeien
snoeide
gesnoeid
zwak -d volledig

snoeien

  1. overgankelijk (van planten) terugbrengen op gewenste lengte
    • Hij was de haag aan het snoeien om ervoor te zorgen dat hij niet over de weg zou gaan groeien. 
  2. versterkend voorvoegsel (informeel) uitermate, heel erg (snoei- als eerste deel van samengestelde bijvoeglijke naamwoorden)
  3. overgankelijk onderzoeken op de aanwezigheid van zaken waar je belang in stelt
  4. overgankelijk (verouderd) gretig opeten vanwege de smaak
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[6]