schepen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sche·pen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘overheidspersoon’ voor het eerst aangetroffen in 1165 [1]
  • Via Middelnederlands schepene van Oudnederlands scepeno, mogelijk verwant aan (orde) scheppen: hij die orde schept
1 enkelvoud meervoud
naamwoord schepen schepenen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

schepen m [2]

  1. (beroep) een wethouder [3]
  2. (beroep) (geschiedenis) vroegere rechtsambtenaar en bestuurder in steden en dorpen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Zelfstandig naamwoord

schepen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord schip


stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
schepen
scheepte
gescheept
zwak -t volledig

Werkwoord

schepen [4] [5]

  1. ergatief zich inschepen
    • Wie met de Duivel gescheept is, moet met hem over. [6] 
  2. overgankelijk inschepen, aan boord gaan, aan boord brengen
    • Het vlees wordt niet ingevroren maar vacuüm verpakt en gekoeld gescheept. 
  3. overgankelijk per schip vervoeren, verschepen
    • ..ende dat dies niet jegenstaende verschieden perthien van terruwe ende rogge buiten de geunieerde provincien nae andere landen gescheept ende vervoert worden..[7] 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Verwijzingen