schonk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schonk
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bot’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1626 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord schonk schonken
verkleinwoord schonkje schonkjes

Zelfstandig naamwoord

schonk v/m

  1. (anatomie) grof bot, zoals een dijbeen of bovernarmbeen
    • Wanneer geen merg meer uit de beenderen druipt, legt men de schonken in eenen pot en zet dien nogmaals in den oven, om het nog in de beenderen overgebleven merg op te zamelen. [2] 

Werkwoord

vervoeging van
schenken

schonk

  1. enkelvoud verleden tijd van schenken
    • Ik schonk. 
    • Jij schonk. 
    • Hij, zij, het schonk. 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. "schonk" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Exercitiën en evolutiën der kavallerie: vastgesteld bij Zr. Ms. besluit van den 23en junij 1855. Voorschrift omtrent de wapenen en munitie, het ledergoed, het paardentuig en de bepakking der kavellerie.