Naar inhoud springen

schonk

Uit WikiWoordenboek
  • schonk
  • In de betekenis van ‘bot’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1626 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord schonk schonken
verkleinwoord schonkje schonkjes

deschonkv/m

  1. (anatomie) grof bot, zoals een dijbeen of bovenarmbeen
    • Wanneer geen merg meer uit de beenderen druipt, legt men de schonken in eenen pot en zet dien nogmaals in den oven, om het nog in de beenderen overgebleven merg op te zamelen. [3] 
     De Pa van Milan lag tijdens zijn vrije uren op de bank in de woonkamer en keek naar de tv of hij zat in de kroeg en schonk zich vol.[4]
     "' Ze liep naar de kast, pakte een glas en schonk het bodempje sherry uit een fles die er al jaren stond.[5]
vervoeging van
schenken

schonk

  1. enkelvoud verleden tijd van schenken
    • Ik schonk. 
    • Jij schonk. 
    • Hij, zij, het schonk. 
     Toen ze haar ogen weer opende, zat Isaac haar aan te kijken, en ze schonk hem een stralende glimlach.[6]
95 %van de Nederlanders;
94 %van de Vlamingen.[7]
  1. "schonk" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. schonk op website: Etymologiebank.nl
  3. Exercitiën en evolutiën der kavallerie: vastgesteld bij Zr. Ms. besluit van den 23en junij 1855. Voorschrift omtrent de wapenen en munitie, het ledergoed, het paardentuig en de bepakking der kavellerie.
  4. “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024582280
  5. Manik Sarkar
    “Ossenkop” (2024), Hollands Diep, ISBN 9789048862696
  6. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be