spleet

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spleet
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord spleet spleten
verkleinwoord spleetje spleetjes

Zelfstandig naamwoord

spleet v/m

  1. langgerekte nauwe en betrekkelijk diepe opening, meest langs een nerf of snede
    • De vogel gebruikte de spleet in de boomstam om er een nest te bouwen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
splijten

spleet

  1. enkelvoud verleden tijd van splijten
    • Ik spleet. 
    • Jij spleet. 
    • Hij, zij, het spleet. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen