anus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

enkelvoud meervoud
naamwoord anus anussen, ani
verkleinwoord anusje anusjes
Gastro-intestinal tract.png
1
2
3
4
5
6
7
8
Uitspraak
Woordafbreking
  • anus
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘aars’ voor het eerst aangetroffen in 1833 [1]
  • uit het Frans [2]

Zelfstandig naamwoord

anus m

  1. (anatomie) de opening aan het eind van de endeldarm en aan het eind van het spijsverteringskanaal waardoor afvalstoffen het lichaam verlaten
    • Uit je anus komt je poep. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

enkelvoud meervoud
anus anuses

Zelfstandig naamwoord

anus

  1. (anatomie) anus.


Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  anus     l'anus     anus     les anus  

Zelfstandig naamwoord

anus m

  1. (anatomie) anus.


Tsjechisch

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

anus m onbezield

  1. (anatomie) anus; de opening aan het eind van de endeldarm en aan het eind van het spijsverteringskanaal waardoor afvalstoffen het lichaam verlaten
Synoniemen
Afgeleide begrippen