rijten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rij·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘scheuren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rijten
reet
gereten
klasse 1 volledig

Werkwoord

rijten

  1. overgankelijk met een scheurende beweging uit elkaar trekken
    • Vijf mensen zijn zondag in het noordoosten van Engeland gewond geraakt, toen het dak van een dubbeldekker werd gereten toen de bus een spoorbrug raakte. 
  2. in stukken rijten: in stukken scheuren
     'Daar stonden ze, helm aan helm, geweer aan geweer, als in steen gehouwen. Ik werd met trots vervuld dat ik het bevel mocht voeren over een handvol mannen die mogelijk in stukken konden worden gereten maar zich niet lieten overwinnen. Op dit soort momenten triomfeert de menselijke geest over de enorme kracht van de materie.[2]
Hyponiemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

rijten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord rijt

Gangbaarheid

71 % van de Nederlanders;
76 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen