reef

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • reef
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘inneembare strook in zeil’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1407 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord reef reven
verkleinwoord reefje reefjes

Zelfstandig naamwoord

reef o

  1. (techniek), (scheepvaart) bij windmolens en zeilschepen: een strook van het zeiloppervlak dat tijdelijk kan worden opgevouwen of opgerold
    • De wind is te sterk, we zullen een reef, of misschien wel twee, moeten steken. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
reven

reef

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van reven
    • Ik reef. 
  2. gebiedende wijs van reven
    • Reef! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van reven
    • Reef je? 

Werkwoord

vervoeging van
rijven

reef

  1. enkelvoud verleden tijd van rijven
    • Ik reef. 
    • Jij reef. 
    • Hij, zij, het reef. 


Gangbaarheid

57 % van de Nederlanders;
49 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Engels

Woordafbreking
  • reef
enkelvoud meervoud
reef reefs

Zelfstandig naamwoord

reef

  1. rif
  2. koraalrif


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /reːf/ (Etsbergs)

Zelfstandig naamwoord

reef m

  1. zeil
  2. mast
  3. rand
  4. kanteel
  5. naad
  6. rif
Verbuiging