rif

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rif
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Oudnoor(d)s, in de betekenis van ‘bank in zee’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1595 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord rif riffen (in betekenis 1 en 3)
verkleinwoord rifje rifjes
enkelvoud meervoud
naamwoord rif reven (in betekenis 2)
verkleinwoord rifje rifjes

Zelfstandig naamwoord

rif o

  1. (geologie) een ondiepte in water, koraalbank, klip
  2. (techniek), (scheepvaart) bij windmolens en zeilschepen: een strook van het zeiloppervlak dat tijdelijk kan worden opgevouwen of opgerold
    • "De wind is te sterk, we zullen een rif ", of misschien wel twee, moeten steken." 
  3. lichaam van een mens of dier, geraamte
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


IJslands

Zelfstandig naamwoord

rif o

  1. (anatomie) rib