praten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pra·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘spreken’ voor het eerst aangetroffen in 1440 [1]
  • afkomstig van:
Middelnederlands: praten
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: prate, prattle, Fries: prate
Noord: Zweeds: prata, Deens: prate
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
praten
praatte
gepraat
zwak -t volledig

Werkwoord

praten

  1. inergatief zich met behulp van de stem uiten
    • Hij bleef maar praten over het uitje naar Terschelling. 
     Franse kinderen schreeuwen niet
    Terwijl Nederlandse moeders over het strand schallen: 'Kevin, hiieeerrr kooomeeen…’, praten Franse moeders alleen op gedempte toon met hun kinderen. Sterker nog; ik heb een heel gezin naast ons een hele dag lang alleen op fluistertoon met elkaar horen praten. Niemand viel uit zijn of haar rol. Heerlijk rustig. Waarom moeten wij eigenlijk altijd zo tetteren?
    [2]
Synoniemen
Anagrammen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Noors

Woordafbreking
  • pra·ten
Naar frequentie 9522

Zelfstandig naamwoord

praten, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van prat
Schrijfwijzen


Nynorsk

Woordafbreking
  • pra·ten

Zelfstandig naamwoord

praten, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van prat