schap

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: -schap

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schap
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘plank’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1433 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord schap schappen
verkleinwoord schapje schapjes

Zelfstandig naamwoord

schap o

  1. een plank om iets op te zetten
     Met mijn boodschappenlijst voor de komende maand in de aanslag stortte ik me op de schappen en na anderhalf uur duwde ik twee volle winkelwagens de supermarkt uit richting het postkantoor.[2]
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen