loopplank

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Houten loopplank van een varend monument
Uitspraak
Woordafbreking
  • loop·plank
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord loopplank loopplanken
verkleinwoord loopplankje loopplankjes

Zelfstandig naamwoord

loopplank v/m [2]

  1. plank waarover men kan lopen vooral om van de wal op een boot te komen
    • Toen de Coolsingel, de hoofdstraat van de stad waar tot op de dag van vandaag niemand woont, in de jaren zestig enigszins was opgeknapt, werd een gigantische bouwput gegraven voor de aanleg van de metro. Jarenlang kluunden de Rotterdammers langs omheinde bouwplaatsen en putten, over noodbruggetjes en loopplanken om hun boodschappen te doen. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. loopplank op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. NRC Rien Vroegindeweij 20 oktober 2016
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be