board

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • board
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Engels [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord board boards
verkleinwoord boardje boardjes

Zelfstandig naamwoord

board o [2]

  1. (bouwkunde) plaatmateriaal gemaarkt van kleine stukjes hout
    Soms weet een fabrikant een product gewoon in één keer op de goede manier op de markt te brengen, zoals Stanley Tools dat in 1936 deed met het Stanleymes. Het was bedacht om hardboard mee te snijden, maar het werd al snel een mes dat voor van alles en nog wat gebruikt zou worden.[3]
  2. (sport) op een surfplank gelijkend voorwerp
    Vijftien jaar geleden kwam ik tijdens een bedrijfsuitje toevallig terecht op de waterskischool van de broers die de eerste wakeboards uit Amerika importeerden. Zij vertelden enthousiast over de toen nieuwe sport: je staat op een soort kleine surfplank achter de boot en gebruikt de twee golven die tijdens het varen ontstaan als springplank om trucs te doen in de lucht. Een soort snowboarden op het water, ik was direct verkocht.[4]
  3. paneel
  4. bestuur (management-newspeak)
    KLM-topman Pieter Elbers werd donderdag gekozen tot lid van de board of governors van IATA. Dat klinkt iets prestigieuzer dan het is, het gezelschap bestaat uit dertig leden.[5]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen


Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
boarden

board

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boarden
    Ik board.
  2. gebiedende wijs van boarden
    Board!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boarden
    Board je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Christiaan Pelgrim NRC 25 juli 2014
  4. NRC
  5. Mark Duursma NRC 3 juni 2016


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
board board

Zelfstandig naamwoord

board

  1. plank
  2. boord van een schip
  3. raad, college