pand

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pand
enkelvoud meervoud
naamwoord pand panden
verkleinwoord pandje pandjes

Zelfstandig naamwoord

pand

  1. m (kleding) een deel van een jas (slip), een jaspand [1]
  2. o een gebouw (huis) [2]
  3. o (juridisch) een zakelijk recht op het roerend goed van een ander om met voorrang een vordering te kunnen verhalen
  4. (transport) een stuk kanaal of vaart dat tussen twee sluizen gelegen is
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
panden

pand

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van panden
    • Ik pand. 
  2. gebiedende wijs van panden
    • Pand! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van panden
    • Pand je? 

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl