jaspand

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jas·pand
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord jaspand jaspanden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

jaspand m/o [1]

  1. onderste en achterste deel van een jasje zoals dat hoort bij een pak of rokkostuum
     Dit is wat nu gebeurt, op een bewolkte donderdagmorgen in Nederland. Deze twee mannen die daar met wapperende jaspanden en een paar aktentassen over het Binnenhof lopen, nagestaard door de onvermijdelijke Binnenhoftoerist, zijn in mijn -en ik vermoed veler- ogen, eigenlijk nog jongens.[2]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

60 % van de Nederlanders;
44 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron Frank Poorthuis op Wikipedia “De Pampers-generatie grijpt de macht in Den Haag” (27/09/2012), HP de Tijd
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be