slip

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een slip.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slip
Woordherkomst en -opbouw
  • pseudo-Engels
enkelvoud meervoud
naamwoord slip slips
verkleinwoord slipje slipjes

Zelfstandig naamwoord

[A] slip m

  1. (kleding) kort, strak onderbroekje zonder pijpen
    • In dezelfde lijn zijn eveneens een klassieke beugelbeha, een bustier met couture-look, een slip en een string verkrijgbaar. 
  2. een afrekening
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

[B] slip v/m

  1. punt van een stof die naar beneden hangt
  2. drukproef op stroken, nog niet in de vorm van bladzijden
  3. slingering
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [3]: in een slip raken
(van een auto of motor) slippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
slippen

slip

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slippen
    • Ik slip. 
  2. gebiedende wijs van slippen
    • Slip! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slippen
    • Slip je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
slip slips

Zelfstandig naamwoord

slip

  1. uitglijding
  2. vergissing
vervoeging
onbepaalde wijs to slip
he/she/it slips
verleden tijd slipped
voltooid
deelwoord
slipped
onvoltooid
deelwoord
slipping
gebiedende wijs slip

Werkwoord

slip

  1. uitglijden
  2. glijden