achterpand

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

het achterste deel van een gebouw
Uitspraak
Woordafbreking
  • ach·ter·pand
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord achterpand achterpanden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

achterpand o [1]

  1. achterste deel van een gebouw
  2. rugstuk van een kledingstuk (met name van een jas)
    • De hoogtepunten uit de eerste vrouwencollectie van Francesco Risso waren grijze jasjes met een heel bolle achterpand, jurken van een stof die leek op bubbelplastic en (mantel)pakken van dikke pluizige stof. Maar ze misten de speelsheid, kracht en eigenzinnigheid van weleer. Sluike jurkjes met ‘behaatjes’ erop deden denken aan ontwerpen van zijn vorige werkgever, Prada. De erg jonge, frêle, uitdrukkingsloze modellen met identieke jarenzestigkapsels deden de show geen goed; deze tijd eist vrouwen met persoonlijkheid.[2]  

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Milou van Rossum 27 februari 2017