overplaatsen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·plaat·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overplaatsen
plaatste over
overgeplaatst
zwak -t volledig

Werkwoord

overplaatsen

  1. overgankelijk het verplaatsen van de ene plek naar de ander, gewoonlijk binnen een organisatie
    • Men wilde de medewerker overplaatsen van de ene afdeling naar de andere. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.