meedelen

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mee·de·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
meedelen
deelde mee
meegedeeld
zwak -d volledig

Werkwoord

meedelen

  1. ditransitief een feit vertellen
    • Wat ik jullie nog zou meedelen is dat wij morgen niet hoeven te vergaderen. 
    • Wij kregen meegedeeld dat de vergadering niet door ging. 
Schrijfwijzen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be