verouderen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·ou·de·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van ouder met het voorvoegsel ver-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verouderen
verouderde
verouderd
zwak -d volledig

Werkwoord

verouderen

  1. ergatief ouder worden
    • Die man is nu wel snel aan het verouderen. 
  2. ergatief uit de mode raken
    • Dit model is verouderd. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.