verouderen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·ou·de·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van ouder met het voorvoegsel ver-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verouderen
verouderde
verouderd
zwak -d volledig

Werkwoord

verouderen

  1. (ergatief) ouder worden
    Die man is nu wel snel aan het verouderen.
  2. (ergatief) uit de mode raken
    Dit model is verouderd.
Vertalingen