luiden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lui·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
luiden
luidde
geluid
zwak -d volledig

Werkwoord

luiden

  1. overgankelijk doen klinken, gewoonlijk van een bel
    • Deze klok wordt zelden geluid. 
  2. inergatief het weerklinken van het geluid van een klok
    • De kerkklokken luidden toen er een dijkdoorbraak dreigde. 
  3. als inhoud hebben
    • Het bericht luidde eenvoudigweg: "hij is dood"; details ontbraken. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: de noodklok luiden
Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord - luiden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

luiden mv

  1. mensen, lieden

Werkwoord

vervoeging van
luien

luiden

  1. meervoud verleden tijd van luien
    • Wij luiden. 
    • Jullie luiden. 
    • Zij luiden. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl