luide

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lui·de

Bijvoeglijk naamwoord

luide

  1. verbogen vorm van de stellende trap van luid

Werkwoord

vervoeging van
luien

luide

  1. enkelvoud verleden tijd van luien
    • Ik luide. 
    • Jij luide. 
    • Hij, zij, het luide. 

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders
85 % van de Vlamingen.