luide
Uiterlijk
- lui·de
- luid met de uitgang -e
luide
| vervoeging van |
|---|
| luien |
luide
- enkelvoud verleden tijd van luien
- Ik luide.
- Jij luide.
- Hij, zij, het luide.
- Ik luide.
| vervoeging van |
|---|
| luiden |
luide
- aanvoegende wijs van luiden
- Het woord luide staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "luide" herkend door:
| 88 % | van de Nederlanders; |
| 83 % | van de Vlamingen.[2] |
- ↑ Tim Voors“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers

- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be