verluiden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·lui·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verluiden
verluidde
verluid
zwak -d volledig

Werkwoord

verluiden

  1. overgankelijk (verouderd) het luiden van klokken —al of niet van de kerk— naar aanleiding van het overlijden van iemand
    • In Drenthe verluidden de buren vaak hun overleden buurman, hoewel de kerk over dit gebruik van heidense oorsprong niet altijd te spreken was. 
  2. (verouderd) zich laten ~ kennis geven van iets
    • Hij liet zich verluiden dat hij in het huwelijk ging treden. 
  3. horen ~ op een of andere wijze vernemen
    • Ik heb horen verluiden dat hij gaat scheiden. 
  4. onpersoonlijk naar ~: zoals vernomen is (vaak uit onduidelijke of mogelijk niet geloofwaardige bron)
    • Naar verluidt gaat hij scheiden. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • naar verluidt.
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.