luidheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • luid·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van luid met het achtervoegsel -heid
enkelvoud meervoud
naamwoord luidheid
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

luidheid v [1]

  1. het lawaai
    • Een nieuwe techniek maakt het mogelijk om de gemiddelde luidheid van tv-commercials te meten. Tot op heden werden alleen de pieken in het geluid gemeten en begrensd. [2] 
    • De motie toont aan dat deze partijen de klok wel hebben horen luiden, maar niet weten waar de klepel hangt. Gehoorschade ontstaat niet door de toonhoogte, maar door de luidheid - decibellen dus. Als deze linkse partijen werkelijk begaan waren met het lot van het binnenoor, hadden ze de walkmans, mp3-spelers en house party`s verboden of er tenminste grenzen aan gesteld. Half Nederland lijkt nu aan lawaaidoofheid te lijden en iedereen houdt zich doof. [3] 
    • Eén van die ‘frequency analyzers’ heet Spectroid en het is een lust daarmee het lawaai in eigen kring te analyseren, al is niet helemaal duidelijk welke maat hij voor de luidheid van de frequentie-intervallen gebruikt. [4] 
  2. een grootheid die op een objectieve manier het subjectief beleefde geluidsniveau weergeeft.
Vertalingen

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
76 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen