Naar inhoud springen

lach

Uit WikiWoordenboek
  • lach
enkelvoud meervoud
naamwoord lach lachen
verkleinwoord lachje lachjes

delachm

  1. een vrolijkheidsuiting door middel van het optrekken van de mondhoeken en vaak het voortbrengen van een geluid
    • Na een paar lachen ging hij weer verder met zijn werk. 
     Haar lach stierf weg.[2]
vervoeging van
lachen

lach

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lachen
    • Ik lach. 
  2. gebiedende wijs van lachen
    • Lach! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lachen
    • Lach je? 
    • Waarom lach je? 
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[3]
  1. lach op website: Etymologiebank.nl
  2. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
enkelvoud meervoud
lach laches

lach m

  1. melk