klimaat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kli·maat
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘natuurlijke gesteldheid van lucht en weer’ voor het eerst aangetroffen in 1485 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord klimaat klimaten
verkleinwoord klimaatje klimaatjes

Zelfstandig naamwoord

klimaat o

  1. (aardrijkskunde) (meteorologie) de gemiddelde natuurlijke gesteldheid van de lucht en het weer in een gebied op een planeet
    • Wij hebben op aarde een leefbaar klimaat. 
  2. aanwezige toestand, geheel van omstandigheden
    • In deze onderneming heerst een goed klimaat. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen