klima

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • kli·ma
Woordherkomst en -opbouw
Naar frequentie 22717
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   klima     klimaet     klima
klimaer  
  klimaene  
genitief   klimas     klimaets     klimas
klimaers  
  klimaenes  

Zelfstandig naamwoord

klima o

  1. (meteorologie) klimaat, weer, weersomstandigheden, weersgesteldheid
  2. (figuurlijk) klimaat, sfeer
    «Det økonomiske klimaet er hardt.»
    Het economische klimaat is hard.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: fuktig klima
vochtig klimaat

Zelfstandig naamwoord

klima, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van klima
Schrijfwijzen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • kli·ma
Woordherkomst en -opbouw
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   klima     klimaet     klima     klimaa  

Zelfstandig naamwoord

klima o

  1. (meteorologie) klimaat, weer, weersomstandigheden, weersgesteldheid
  2. (figuurlijk) klimaat, sfeer
    «Det økonomiske klimaet er hardt.»
    Het economische klimaat is hard.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: fuktig klima
vochtig klimaat

Zelfstandig naamwoord

klima, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van klima


Papiamento

Zelfstandig naamwoord

klima

  1. klimaat


Tsjechisch

Zelfstandig naamwoord

klima o

  1. (meteorologie) klimaat
  2. (figuurlijk) atmosfeer, sfeer, stemming
Synoniemen
  1. -
  2. atmosféra v


Turks

enkelvoud meervoud
nominatief   klima     klimalar  
genitief   klimanın     klimaların  
datief   klimaya     klimalara  
accusatief   klimayı     klimaları  
locatief   klimada     klimalarda  
ablatief   klimadan     klimalardan  

Zelfstandig naamwoord

klima

  1. airco, airconditioner
Synoniemen