kraal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kraal
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘element van sierketting’ voor het eerst aangetroffen in 1480 [1] [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord kraal kralen
verkleinwoord kraaltje kraaltjes

Zelfstandig naamwoord

kraal v/m

  1. een doorboord kogeltje van een kleurig materiaal bedoeld als versiering
    • Je kunt kraaltjes rijgen tot een ketting of in een patroon op iets aanbrengen. 
  2. een bolrond voorwerpje
    • Het gesmolten metaal verzamelde zich in kraaltjes op de bodem. 
  3. een ronde verdikking in een dunne laag metaal
  4. een omheinde ruimte, gewoonlijk voor vee
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kralen

kraal

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kralen
    • Ik kraal. 
  2. gebiedende wijs van kralen
    • Kraal! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kralen
    • Kraal je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord kraal krale
verkleinwoord kraaltjie, kraletjie kraaltjies, kraletjies

Zelfstandig naamwoord

kraal

  1. kraal, doorboord versiersel
    «Daar word geglo dat die vroegste gebruik van krale aangeteken is deur die Egiptenare.»
    Er wordt geloofd dat het eerste gebruik van kralen door de Egyptenaren gedaan is.
  2. kraal, omheinde ruimte voor vee
    «Om krale te bou wat vee effektief kan hanteer bly 'n probleem op elke plaas.»
    Om kralen te bouwen die het vee effectief kunnen hanteren blijft een probleem op iedere boerderij.


Engels

enkelvoud meervoud
kraal kraals

Zelfstandig naamwoord

kraal

  1. kraal, omheinde ruimte voor vee