clair
Uiterlijk
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| mannelijk | clair | clairs |
| vrouwelijk | claire | claires |
clair
- licht, lichtgevend, luchtig, stralend, helder, van een voorwerp, ruimte, kleur etc.
- doorzichtig, glashelder, van een materiaal
- (figuurlijk) duidelijk, begrijpelijk, van een tekst, gedachtegang etc.
- [1] aéré, étincelant, lumineux
- [2,3] limpide, transparent
- [1] clairsemé, éclaircir
- [2,3] clarté
- [3] clairvoyant
- clairement
- ↑ clair (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.