klaren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kla·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
klaren
klaarde
geklaard
zwak -d volledig

Werkwoord

klaren

  1. (overgankelijk) helder maken
    Hij klaarde de gesmolten boter om er daarna bij hogere temperaturen in te kunnen bakken.
  2. (ergatief) helder worden
    Deze wijn is vanzelf geklaard.
  3. (overgankelijk) overdrachtelijk: redderen, moeilijkheden uit de weg ruimen
    Geloof maar dat hij in die tijd veel te klaren kreeg!