klaren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kla·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
klaren
klaarde
geklaard
zwak -d volledig

Werkwoord

klaren

  1. overgankelijk helder maken
    • Hij klaarde de gesmolten boter om er daarna bij hogere temperaturen in te kunnen bakken. 
  2. ergatief helder worden
    • Deze wijn is vanzelf geklaard. 
  3. overgankelijk overdrachtelijk: redderen, moeilijkheden uit de weg ruimen
    • Geloof maar dat hij in die tijd veel te klaren kreeg! 
  4. overgankelijk de druk achter het trommelvlies gelijk maken met de buitenlucht
    • Door te slikken kan je je oren makkelijk klaren, en dan heb je geen last meer van druk in je oor. 
Hyponiemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

klaren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord klare

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen