kin

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kin
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘deel van de onderkaak’ voor het eerst aangetroffen in 1201 [1]
  • [tussenwerpsel] via Jiddisch van Hebreeuws כן (ken) oorspronkelijk "aldus, zo"; later "ja"[2]
enkelvoud meervoud
naamwoord kin kinnen
verkleinwoord kinnetje kinnetjes

Zelfstandig naamwoord

kin m

  1. (anatomie) het vooruitstekende deel van de onderkaak
Vertalingen

Tussenwerpsel

kin!

  1. (Bargoens) akkoord!, in orde!, oké!, goed!
Synoniemen
  1. kim

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Navajo

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

kin

  1. huis