kim

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kim
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kim kimmen
verkleinwoord kimmetje kimmetjes

Zelfstandig naamwoord

kim v/m

  1. (astronomie) de horizon: de lijn waarboven, bij vrij uitzicht zoals op zee, de hemellichamen zichtbaar zijn
    • Een nieuwe dag begint wanneer de zon boven de kim verschijnt. 
  2. (techniek) (kuiperij) de schuin naar binnengerichte boven- of onderrand van een vat of ton
    • Door kappen en schaven maakt de kuiper de kimmen aan het vat. 
  3. (techniek) (boekbinden) strook aan de zijkant van een enkel blad die het omgevouwen mogelijk maakt dit in een katern mee te naaien
    • Op de rug van dit bifolium is een versterkingsstrookje aangebracht, zodat het lijkt alsof er een kim aanwezig is waarop een enkelblad is geplakt. [6]
  4. (scheepvaart) de rand van een scheepsromp die de overgang vormt van de bodem naar de boorden of, bij ronde rompvormen, het overgangsgebied van bodem naar de boorden
    • Het drooggevallen zeiljacht lag met de kiel en kim in de modder. 
Schrijfwijzen
  • ook gespeld: kimme
Gelijkklinkende woorden
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Tussenwerpsel

kim!

  1. (Bargoens) akkoord!, in orde!, oké!, goed!
Synoniemen
  1. kin
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kimmen

kim

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kimmen
    • Ik kim. 
  2. gebiedende wijs van kimmen
    • Kim! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kimmen
    • Kim je? 

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders
74 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Minnan

Zelfstandig naamwoord

kim

  1. (element) goud