Naar inhoud springen

kim

Uit WikiWoordenboek
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Kim


  • kim
enkelvoud meervoud
naamwoord kim kimmen
verkleinwoord kimmetje kimmetjes

de kimv / m

  1. (astronomie) de horizon: de lijn waarboven, bij vrij uitzicht zoals op zee, de hemellichamen zichtbaar zijn
    • Een nieuwe dag begint wanneer de zon boven de kim verschijnt. 
  2. (techniek) (kuiperij) de schuin naar binnengerichte boven- of onderrand van een vat of ton
    • Door kappen en schaven maakt de kuiper de kimmen aan het vat. 
  3. (techniek) (boekbinden) strook aan de zijkant van een enkel blad die het omgevouwen mogelijk maakt dit in een katern mee te naaien
    • Op de rug van dit bifolium is een versterkingsstrookje aangebracht, zodat het lijkt alsof er een kim aanwezig is waarop een enkelblad is geplakt. [6]
  4. (scheepvaart) de rand van een scheepsromp die de overgang vormt van de bodem naar de boorden of, bij ronde rompvormen, het overgangsgebied van bodem naar de boorden
    • Het drooggevallen zeiljacht lag met de kiel en kim in de modder. 
  • ook gespeld: kimme

kim!

  1. (Bargoens) akkoord!, in orde!, oké!, goed!
  1. kin
vervoeging van
kimmen

kim

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kimmen
    • Ik kim. 
  2. gebiedende wijs van kimmen
    • Kim! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kimmen
    • Kim je? 
78 % van de Nederlanders;
72 % van de Vlamingen.[7]


kim

  1. (element) goud