hoopvol

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoop·vol
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen hoopvol hoopvoller hoopvolst
verbogen hoopvolle hoopvollere hoopvolste
partitief hoopvols hoopvollers -

Bijvoeglijk naamwoord

hoopvol

  1. veel hoop gevend
    • Dat de koorts zakte bij het zieke kind was een hoopvol teken voor de heel bezorgde ouders. 
  2. met veel hoop
     De tafels zijn hoopvol gedekt voor het diner, maar truckersrestaurant Le Mistral straalt een zekere mismoedigheid uit. Een kapotte ruit is vervangen door een houten schot. Op de parkeerplaats ter grootte van een voetbalveld staat een handjevol vrachtwagens.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron Peter Giesen “Route Nationale 7, leuker dan de Route du Soleil” (30 juli 2014), de Volkskrant