Naar inhoud springen

wanhoop

Uit WikiWoordenboek
  • wan·hoop
enkelvoud meervoud
naamwoord wanhoop -
verkleinwoord - -

dewanhoopv/m

  1. een ellendige toestand waarin men geen uitkomst meer ziet
    • Uit pure wanhoop sneed hij zich de polsen door. 
     Mijn wanhoop loopt zelfs zo hoog op dat ik begin te fantaseren over een schandaal of een ongeluk - naakt gaan shoppen in De Bijenkorf of onder een tram lopen - om de aandacht weer op mezelf te vestigen.[2]
     Maar het kan ook voelen alsof de moderne tijd ons steeds dieper in hebzucht, wanhoop en opwinding dompelt.[3]
     Ik hoorde de wanhoop in zijn stem, en dat ergerde me.[4]
  • met de moed der wanhoop
de durf die men heeft in een verhing noodsituatie
 Met de moed der wanhoop zette Piet zich schrap om er zo snel hij kon overheen te springen, maar dat viel tegen.[5]
vervoeging van
wanhopen

wanhoop

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wanhopen
    • Ik wanhoop. 
  2. gebiedende wijs van wanhopen
    • Wanhoop! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wanhopen
    • Wanhoop je? 
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[6]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  3. “Hoe overleef ik de moderne wereld” (2022), Atlas Contact op Wikipedia, ISBN 9789045045979
  4. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  5. Teuntje de Haan
    “Een muur van water” (2018), Em. Querido's Uitgeverij op Wikipedia, ISBN 9789021409375
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be