hoeveelheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoe·veel·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘aantal’ voor het eerst aangetroffen in 1599 [1]
  • afgeleid van hoeveel met het achtervoegsel -heid
enkelvoud meervoud
naamwoord hoeveelheid hoeveelheden
verkleinwoord hoeveelheidje hoeveelheidjes

Zelfstandig naamwoord

hoeveelheid v [2]

  1. de kwantiteit waarin iets aanwezig is
    • De hoeveelheid malware is in één jaar verdrievoudigd. 
     Op de trail had ik eindelijk het gevoel een hippie te zijn omdat ik in een gemeenschap leefde van vrije geesten, kleurrijk en stoffig. Niemand scheerde zijn kin of oksels, bh’s bleken niet te werken onder zware rugzakken en er was een gezonde hoeveelheid vrije liefde onder de jonge garde.[3]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen