hopeloos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ho·pe·loos
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van hoop met het achtervoegsel -loos met het invoegsel -e-
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen hopeloos hopelozer hopeloost
verbogen hopeloze hopelozere hopelooste
partitief hopeloos hopelozers -

Bijvoeglijk naamwoord

hopeloos

  1. waaraan hoop op succes ontbreekt
    • Dat bleek een hopeloze zaak te zijn. 
Vertalingen


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.