fluiten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

[2] fluiten
Uitspraak
Woordafbreking
  • flui·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
fluiten
floot
gefloten
klasse 2 volledig

Werkwoord

fluiten

  1. een fluit bespelen
    • De man kon erg goed fluiten en bracht het publiek in vervoering. 
  2. geluid van een fluit voortbrengen
    • Mijn collega liep de hele tijd te fluiten, zo vrolijk was hij. 
  3. met een fluit een signaal geven
    • De agent moest fluiten om het verkeer tot stoppen te dwingen. 
  4. als scheidsrechter optreden
    • Moet jij zaterdag nog fluiten? 
  5. (dierengeluid) een geluid voortbrengen zoals zekere zangvogels
    • In de boom floot een putter als of het een lieve lust was. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

fluiten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord fluit

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen