alarm

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • alarm
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘noodsein, onrust’ voor het eerst aangetroffen in 1488 [1]
  • uit het Frans [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord alarm alarmen
verkleinwoord alarmpje alarmpjes

Zelfstandig naamwoord

alarm o

  1. een waarschuwing tegen gevaar
    • Het alarm van de winkel ging af. 
  2. (elektronica) alarminstallatie
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Turks

Zelfstandig naamwoord

alarm

  1. alarm