crash

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • crash
Woordherkomst en -opbouw
  • van het Engels [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord crash crashes
verkleinwoord crashje crashjes

Zelfstandig naamwoord

crash m

  1. (verkeer) een ernstig verkeersongeluk
  2. (economie) een ineenstorting van de aandelenmarkt op de beurs
  3. (informatica) het onbruikbaar worden van een computer, besturingssysteem of applicatie
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
crashen

crash

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van crashen
    • Ik crash. 
  2. gebiedende wijs van crashen
    • Crash! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van crashen
    • Crash je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen