crashen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cra·shen
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Engels
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
crashen
crashte
gecrasht
zwak -t volledig

Werkwoord

crashen

  1. ernstig verongelukken
  2. bankroet gaan

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.