crashen
Uiterlijk
- cra·shen
- afgeleid van het Engels
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| crashen |
crashte |
gecrasht |
| zwak -t | volledig | |
crashen
- ernstig verongelukken
- bankroet gaan
- Het woord crashen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "crashen" herkend door:
| 98 % | van de Nederlanders; |
| 97 % | van de Vlamingen.[1] |
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be